Voorstelling
Missieverklaring
Taken en bevoegdheden
Organisatie
Werking
Werking
Historisch overzicht
Referentieteksten
Bibliografie
Publicaties
Arresten
Mandatenlijsten en vermogensaangiften
Praktische inlichtingen
Vacatures
Externe links
Webmaster
Zoeken
    Hoewel reeds vóór de veertiende eeuw in het graafschap Vlaanderen een Rekenkamer bestond, werd de eerste regelmatig ingestelde Rekenkamer in 1386 opgericht door Filips de Stoute, hertog van Bourgondië en graaf van Vlaanderen. Zij werd te Rijsel gevestigd. Haar bevoegdheid nam ingevolge de gebiedsinlijvingen door de hertogen van Bourgondië geleidelijk uitbreiding tot de graafschappen Namen en Henegouwen en het Doornikse. Bij patentbrieven van 20 februari 1406 richtte Antoon van Bourgondië, zoon van Filips de Stoute en erfgenaam van Brabant en Limburg, een Rekenkamer van Brabant op, in navolging van de Bourgondische Rekenkamer. Zij was belast met het onderzoek en de afsluiting van de rekeningen van alle officiers-kashouders of betalers van het hertogdom en werd ondergebracht in het - thans verdwenen - hertogelijk paleis. Daar bleef zij tot het einde van de achttiende eeuw. Dit gebouw bevond zich in de onmiddellijke nabijheid van de plaats waar zich sedert 1984 de kantoren van het huidige Rekenhof bevinden. Een gelijkaardige instelling werd tot in 1830 in stand gehouden, ondanks de politieke wisselvalligheden die het land kenmerkten.

    Nauwelijks was de afscheuring van onze provinciën van die van Nederland werkelijkheid geworden, of het Nationaal Congres keurde het decreet van 30 december 1830 houdende de oprichting van het Rekenhof goed. De eerste leden werden op 6 januari 1831 aangesteld. Artikel 116 van de Grondwet, dat op 7 februari 1831 werd goedgekeurd, bekrachtigde definitief het bestaan van de nieuwe instelling en bepaalde de bevoegdheden ervan. Het decreet van 1830 werd op 29 oktober 1846 vervangen door de wet op de inrichting van het Rekenhof, die nog steeds van kracht is, maar inmiddels al diverse malen werd gewijzigd.

    Evolutie van de organisatie

    Vanuit het oogpunt van de organisatie vertoont de evolutie van de instelling vier etappes:

    • Het decreet van 30 december 1830 bepaalde dat het Rekenhof uit acht leden zou bestaan (een voorzitter, zes raadsheren en een griffier). De wet van 29 oktober 1846 bevestigde dit. Het huishoudelijk reglement van 9 april 1831 verdeelde het Rekenhof in twee secties van drie raadsheren : de sectie comptabiliteit behandelde de ontvangsten, rekeningen en openbare rekenplichtigen; de sectie controle was bevoegd voor de uitgaven, pensioenen en rijksschuld.

    • Opdat het Rekenhof de aanzienlijke uitbreiding van de dossiers zou kunnen beheren en de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog zou kunnen opvangen, voorzag de wet van 4 juni 1921 in de oprichting van twee kamers, die elk zouden bestaan uit een voorzitter, vier raadsheren en een griffier. Het huishoudelijk reglement van 14 juli 1922 verdeelde de bevoegdheden van het Rekenhof over die kamers, elk op hun beurt onderverdeeld in twee secties van twee raadsheren. De eerste kamer was belast met het onderzoek van de algemene rekeningen en de rekeningen van de rekenplichtigen, die uiteindelijk in de algemene vergadering werden goedgekeurd of afgesloten. De tweede kamer diende te waken over het bijhouden van de schrifturen die kredietoverschrijdingen moesten helpen voorkomen. Deze kamer liet zich in met de betalingsordonnanties en stortingsorders die aan het voorafgaand visum onderworpen waren en niet binnen de bevoegdheden van de eerste kamer vielen, alsook met de rekeningen van de vastgelegde uitgaven, afgelegd ter uitvoering van de wet op de boekhouding van de vastgelegde uitgaven van 20 juli 1921.

    • Als gevolg van de goedkeuring van de wet van 28 juni 1932 op het gebruik van de talen in bestuurszaken bepaalde het huishoudelijk reglement van 13 juni 1935 dat het Rekenhof van dan af zou bestaan uit een Nederlandse kamer en een Franse kamer, die de zaken van hun respectieve taalgroep zouden behandelen. De eerste voorzitter diende de tweetalige zaken gelijk over de twee kamers te verdelen.

    • Na verschillende kleine wijzigingen op 7 mei 1952, 21 juni 1955 en 25 juni 1975 werd het huishoudelijk reglement op 5 februari 1998 aangepast aan de nieuwe structuren van de Belgische Staat. De aangelegenheden die verband houden met de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaams Gewest, de provincies van dat Gewest en de instellingen van openbaar nut die van de bovengenoemde entiteiten afhangen, zouden behoren tot de uitsluitende bevoegdheid van de Nederlandse kamer. De aangelegenheden inzake de Franse Gemeenschap, de Franse Gemeenschapscommissie van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, het Waals Gewest, de provincies waaruit dat Gewest bestaat en de instellingen van openbaar nut die van de bovengenoemde entiteiten afhangen, zouden voortaan behoren tot de uitsluitende bevoegdheid van de Franse kamer. De algemene vergadering zou bevoegd blijven voor de aangelegenheden van de federale Staat, het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Duitstalige Gemeenschap. Ze zou eveneens bevoegd blijven voor de interpretatie van de Europese en federale normen.


    Evolutie van de bevoegdheden

    De bevoegdheden die de Grondwet en de wet aan het Rekenhof toekenden, breidden geleidelijk uit:

    • De artikelen 3 en 5 van het decreet van 30 december 1830 houdende oprichting van het Rekenhof kende de nieuwe instelling een bevoegdheid van algemene externe controle toe :

      "Art. 3. Cette Cour est chargée de l'examen et de la liquidation des comptes de l'administration générale et de tous comptables envers le Trésor. Elle veille à ce qu'aucun article des dépenses du budget ne soit dépassé et qu'aucun transfert n'ait lieu. Elle arrête les comptes des différentes administrations de l'État et est chargée de recueillir, à cet effet tous renseignements et toutes pièces comptables nécessaires. La Cour a le droit de se faire fournir tous états, renseignements et éclaircissements relatifs à la recette des deniers de l'État." […]

      "Art. 5. Le compte général de l'État est soumis à la législature avec les observations de la Cour."

    • Artikel 116 van de Grondwet, dat op 7 februari 1831 werd goedgekeurd, heeft die essentiële principes overgenomen . De jurisdictionele opdracht van het Rekenhof werd door de artikelen 10 tot 12 van het decreet van 30 december 1830 geregeld.

    • De wet van 29 oktober 1846, die de tekst van 1830 globaal heeft bevestigd, bracht ook enkele vernieuwingen. Het decreet van 1830 voorzag immers niet in een procedure voor de gevallen waarin het Rekenhof zou weigeren een uitgave te viseren. Een bepaling die in artikel 14 van de wet van 1846 werd ingeschreven, heeft die leemte als volgt aangevuld: als het Rekenhof een uitgavenordonnantie niet kan viseren, dient de Ministerraad de redenen van de weigering te onderzoeken en als deze raad oordeelt dat de betaling onder zijn verantwoordelijkheid toch moet doorgaan, dient het Rekenhof onder voorbehoud te viseren en zijn motieven onverwijld aan het Parlement mede te delen. De wet van 29 oktober 1846 bevestigde tevens de controlebevoegdheid ten aanzien van de uitgaven van de provincies, waarin de provinciewet van 30 april 1836 al had voorzien.

    • Wil zij doeltreffend zijn, dan mag een externe controle op de uitgaven niet tot de betaling beperkt zijn, maar moet zij zich zo dicht mogelijk bij het ontstaan van de uitgave situeren. Daarom hebben de wetten van 20 juli 1921 tot instelling van de boekhouding der betaalbaar gestelde kredieten en van 28 juni 1963 tot wijziging en aanvulling van de wetten op de rijkscomptabiliteit, het Rekenhof belast met de controle op de comptabiliteit van de vastleggingen ten laste van de begroting.

    • Sinds het Interbellum ontstonden steeds meer instellingen van openbaar nut met rechtspersoonlijkheid. Om de informatie aan het Parlement te waarborgen, heeft de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, later aangevuld met een reeks koninklijke besluiten, de bevoegdheden van het Rekenhof uitgebreid tot de controle op die instellingen, met de mogelijkheid een controle ter plaatse te organiseren.

    • De bijzondere wet van 16 januari 1989, die de financiering van de Gemeenschappen en Gewesten heeft geregeld, stipuleerde dat een gewone wet voor elk Gewest en elke Gemeenschap de bepalingen zou vaststellen van toepassing op de inrichting van de controle door het Rekenhof. Tot het van kracht worden van deze wet zouden de toepasselijke bepalingen over de organisatie van en controle door het Rekenhof, de bepalingen nopens de rijkscomptabiliteit en de wet van 16 maart 1954 tot reglementering van de controle die het Rekenhof ten aanzien van de instellingen van openbaar nut uitoefent, voor de Gemeenschappen en de Gewesten gelden. De verschillende wetteksten die de nieuwe componenten van het federale België hebben opgericht en hun een aantal bevoegdheden van de unitaire Staat hebben overgedragen, hebben de controlebevoegdheden van het Rekenhof ten aanzien van de instellingen van de Gemeenschappen en de Gewesten overigens altijd formeel vermeld. Derhalve oefent het Rekenhof thans op de financiën van de Gemeenschappen en Gewesten ten behoeve van de parlementen van die entiteiten een controle uit, precies zoals het dat voor de federale instellingen doet.

    • De algemene controle die het Rekenhof uitoefent op de verrichtingen met betrekking tot de vaststelling en de invordering van de verworven rechten van de Staat, met inbegrip van de fiscale ontvangsten, steunt sedert 5 mei 1993 uitdrukkelijk op artikel 180 van de gecoördineerde Grondwet. De wet van 4 april 1995 bepaalde dat de uitvoeringsmodaliteiten van die controle in een protocol zouden worden vastgelegd. Dat protocol werd op 22 december 1995 door de Minister van Financiën en de voorzitters van het Rekenhof ondertekend. Het verscheen in het Belgisch Staatsblad van 31 januari 1996. Het Rekenhof mag sindsdien de toepassing door de administratie van de fiscale wetgeving controleren, zonder evenwel individuele vergissingen ten aanzien van de belastingplichtigen op te sporen of te corrigeren.

    • De wet van 10 maart 1998 heeft het Rekenhof de bevoegdheid toegekend a posteriori het goede beheer van de overheidsgelden door aan zijn controle onderworpen overheden te onderzoeken in het licht van de criteria zuinigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid. Die recentste maar niet de minst belangrijke uitbreiding van de bevoegdheden van het Rekenhof heeft als doel het Rekenhof in de mogelijkheid te stellen het Parlement toelichtingen te verschaffen over de wijze waarop de openbare diensten worden beheerd en de maatregelen die de uitvoerende macht kan nemen om dat beheer te verbeteren.

Laatste wijziging van deze pagina :
dinsdag 28 augustus 2001

Afdrukbare versie van deze pagina